De Stienstra’s gaan langs een omweg naar kamp Bathurst

Uit: Het vrije volk : democratisch-socialistisch dagblad, 26-07-1951

(Van onze emigratie-redacteur L.J. Kleijn)
Kamp Bathurst, het veel gesmade kamp Bathurst, is met een variant op het huwelijk als  een belegerde vesting: zij, die er in zijn, willen er uit en zij, die er eenmaal uit zijn, verlangen terug naar de vleespotten van Egypte.
Dat is mijn Friese vriend Stienstra uit St. Anna Parochie, tegenwoordig domicilie houdende in Bathurst, tot zijn schade en schande aan de weet gekomen. Niet alleen hij, maar ook zijn doorgaans zo pientere vrouw.

De Stienstra's uit St. Anna-Parochie, dolgelukkig in hun barak in kamp Bathurst.

De Stienstra’s uit St. Anna-Parochie, dolgelukkig in hun barak in kamp Bathurst.

En alles te vies om aan te pakken.
De Stienstra’s kwamen met de “Johan van Oldenbarnevelt” in Australië aan. Eerst in  Fremantle. Nee, zei Stienstra tot zijn vrouw, nee, laten wij ons nu eens niet van de wijs laten brengen door al die reclameheren aan boord, die prachtige betrekkingen aanbieden. Daar hebben we al zoveel van gehoord, dat we er onze buik meer dan vol van hebben. Dus voer de Johan de haven van Fremantle weer uit, op weg naar Melbourne en de Stienstra’s waren nog steeds aan boord.
Maar de weg naar de hel is geplaveid met goede voornemens, zeggen de Britten. Aan boord blijven, ook in Melbourne. Dat stond voor de Stienstra’s als een paal boven water. Pas uitstappen in Sydney en daar werk zoeken, zodat we dat verdraaide kamp Bathurst ontlopen.
Even gingen ze Melbourne in. Alleen maar om de benen te strekken. Meer niet. Net toen ze de grote stad in wilden, kwam er een farmer aan boord en die z’n schoonvader had een prachtige farm ergens bij Kerang, waar ze het werk niet meer alleen af konden en een farmhand zochten, een boerenknecht. Stienstra spitste even zijn oren, maar nee, de farmer was al in gesprek met een zekere Van der Meulen, dus ook al had Stienstra gewild, hij had er toch naast gegrepen.
Welgemoed gingen man en vrouw de stad in en keken hun ogen uit. Tjonge, wat een stad! Stukken groter dan St. Anna Parochie! Je zou er bijna in verdwalen, zo verschrikkelijk groot. Gauw weer naar boord terug, want verbeeld je, dat die Johan wegvoer zonder ons!
Gelukkig! De Johan lag er nog. Ze hadden zelfs nog een paar uurtjes over.

Daar had je diezelfde farmer weer! Hij zat er nog! Met Van der Meulen was het niets geworden en toen stevende de farmer op de Stienstra’s af. Geen zin in een mooie farm? Tja, daar had Stienstra toch wel oren naar en hij overlegde even in het Fries met zijn vrouw. Is er accomodatie bij? vroeg het kleine mevrouwtje. Want om accomodatie, om een huis, een dak boven het emigrantehoofd, draait hier alles en alles. Accomodatie?, antwoordde de farmer. Accomodatie? En of! Een pracht van een huis met wel negen kamers, dat met gemak door twee grote gezinnen kan worden bewoond!

Van boord
De twee Stienstra’s keken elkaar eens aan. Als Vrouwe Fortuna zo maar op je af komt, mag je Haar dan voor het hoofd stoten? Is het niet de hemel verzoeken zulk een magnifiek aanbod af te slaan? Goede raad was duur. Lang overleggen, daar was geen tijd voor, want de Johan begon al weer te roken en de farmer, begrijpelijk van zijn kant, wilde haring of kuit hebben.

Toe dan maar, zei Stienstra, en met één forse slag hakte hij de knoop door.
Vliegensvlug het doolhof van gangen door van de Johan, spullen bij elkaar zoeken, koffers pakken, hier en daar in de haast nog een paar Friese vrienden de hand drukken en van boord af. ’t Leek best!
Om nog diezelfde avond door te reizen naar Kerang, dat was te ver en daar was het veel te laat voor geworden. Maar dat hinderde niet.
De eigenaar van de farm woonde in Melbourne en daar konden ze best die nacht blijven. Eerst aten ze er op hun gemak. Reuze best eten. En toen naar bed. Prachtige bedden, ook voor de kinderen. Nee het mankeerde daar in Melbourne nu werkelijk aan niets.
Niet zóveel op te zeggen!
De volgende morgen wilde de Stienstra’s door naar Kerang. Als je nou toch eenmaal A
hebt gezegd, dan maar het liefst zo gauw mogelijk ook de rest van het alfabet. Dan ben
je er het vlugst door. Maar nee, dat mocht niet. Jullie zijn natuurlijk doodop van die verre reis uit Holland, zei de eigenaar, luisteren jullie nou naar mij raad en blijven jullie in Melbourne nog even uitpuffen.
Komen jullie nu eerst even tot rust en laten we dan samen naar Kerang vertrekken.
Dat was allemaal zo verschirkkelijk vriendelijk aangeboden, dat de Stienstra’s dat niet konden weigeren. Wie krijgt zo’n aanbod, zo’n lot uit de loterij? Dus bleven ze nog een extra-dag en onderhand kreeg het jongste kind de mazelen. Die mazelen hadden het kleintje al in Holland onder de leden gezeten, maar Hier in Australië kwamen ze er uit. Geen nood: de eigenaar van de farm had geen haast en voor kost en inwoning behoefde nog geen penny op tafel te worden gelegd.

Maar eindelijk waren de mazelen over en reed de auto voor. De vrouw van de eigenaar deed bij het instappen wel een beetje zenuwachtig, maar dat was mevr. Stienstra zelf ook en dat merkten ze niet van elkaar.

Zo reden ze welgemoed van Melbourne naar Kerang, 177 mijl verder. En onderweg keek Stienstra eens door de ruiten van de wagen. Och, och, dacht Stienstra, wat een verschil met Friesland! Bij ons allemaal gras en groen en koeien in de wei en water in overvloed! Kijk me dat hier eens aan! Alles even dor en stumperig en waar moeten die stumperds van schapen van eten? En kijk me daar die boerderij eens aan, zei hij tegen zijn vrouw. Wat een verwaarloosde farms! En wat een dooie bomen tegen al die heuvels op. Wat zijn we begonnen!
Maar de auto verslond de ene na de andere mijl en eindelijk waren ze er. Bij het huis met de negen kamers.

Een weg naar de boerderij was er niet. Da’s minder, dacht Stienstra bij z’n eigen. Als ik hier maar lang genoeg werk, komt die weg er wel. Erg mooi zag de prachtige farm er van buiten niet uit. Geen paal stond er recht. Da’s maar de buitenkant, dacht Stienstra, al voortstappende en toen kwamen ze binnen.

Daar zat een oude vrouw in het keukentje. De klok sloeg op dat moment krek drie uur in de middag. Het vrouwtje – Stienstra wil zich voorzichtig uitdrukken / was naar heldere Friese begrippen om met geen tang aan te pakken. Of ze maar dadelijk wilden bijschuiven, dan konden ze nog mee eten. De stoelen werden, niet helemaal zonder tegenzin, bijgeschoven en de Stienstra´s zetten zich aan tafel. Brood met paddenstoelen, stond er op ´t farmersmenu! Daar had mevr. Stienstra echter nog nooit van gehoord en ze zette èn brood èn paddenstoelen zeven voet van haar af. I don´t like it, zei ze moedig en toen hoefde ze gelukkig niet. Ze kregen boterhammen met vlees.
Toen werd het tijd om de boerderij in ogenschouw te gaan nemen. Eerst liepen ze er samen van buiten wat omheen. Hoe lijkt het je, vroeg de gastvrije eigenaar uit Melbourne. Stienstra zei er wat op in het Fries, dat de eigenaar niet dadelijk verstond en toen liepen ze naar binnen.
Mevr. Stienstra werd er koud van. De hele boerderij was eigenlijk één grote ruimte, door schotjes verdeeld in hokjes. Zelf hadden de boer en de boerin een kamertje, een keukentje, een slaapkamertje voor zich zelf en nog een slaapkamertje voor de Australische kinderen. De Stienstra´s kregen als slaapkamertje het kamertje van de Australische kinderen toegewezen en voor de rest konden ze gebruik maken van het keukentje, dat te vies was om in te verkeren.

Hoe lijkt het je, vroeg de eigenaar opnieuw, want hij moest de 177 mijl naar Melbourne ook weer terug.
Toen kon Stienstra zich niet langer inhouden en hij sprak een heel lelijk woord.
`Ben je bedonderd!`, zei hij tegen de farmer. “Nog geen dag zou ik hier willen leven!”

Dat begreep de farmer dadelijk en als vrienden namen ze afscheid van elkaar. De eigenaar bracht de Stienstra’s naar het dorp, een mijl of drie verder weg en daar brachten ze de nacht door. De volgende morgen kochten ze kaarjes naar Albury, waar een Nieuwzeelandse dame zich over het gezin en speciaal over de kleintjes ontfermde. De kinderen kregen heetwaterkruiken mee naar bed en zelf zaten de Stienstra’s tot laat in de avond met de Nieuwzeelandse voor het open haardvuur. De Nieuwzeelandse betaalde alles: het hotel, de taxi en de kaartjes naar Sydney.

Terug naar Bathurst
Houdt nu die kippenfarmer – daar staat hij! – onderweg tot Sydney in de kieren, zei ze nog bij het afscheid, want die heeft mij op hart en mond beloofd veel voor jullie in Sydney te zullen doen. Dat beloofden de Stienstra’s, die krom liepen onder het gewicht van vier grote koffers, drie tassen en twee kleine kinderen. Ze keken en keken, maar al wie ze zagen tot Sydney, geen kippenfarmer!
In Sydney, om kort te gaan kwamen ze via een allervriendelijkste Australische politie-agent bij het consulaat-generaal aan, dat zich dadelijk met Bathurst in verbinding stelde. Na veel heen en weer getelefoneer was de zaak oké. De Stienstra’s konden naar Bathurst.

Nu zitten ze in Bathurst. In het veel gesmade Bathurst.
En blij dat ze zijn!
Vandaag, Zondag 28 Mei, zijn ze nog stukken blijer, want morgen, Maandag, kan Stienstra als cleaner in Bathurst beginnen tegen negen pond, zeven shilling en zes pence in de week.

De omweg van Melbourne naar Bathurst via Kerang en Sydney heeft Stienstra op de kop af 25 Australische ponden gekost.
Dat doe ik niet dadelijk weer!, zei Stienstra bij het afscheid.
Wie zou daar niet in kunnen komen!

 

Dit bericht is geplaatst in Nieuws. Bookmark de permalink.

1 Reactie op De Stienstra’s gaan langs een omweg naar kamp Bathurst

  1. AndrysSt schreef:

    Ik ben heel benieuwd welke familie Stienstra dit is en hoe het hen verder is vergaan.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *